Thomas Merton over ongeloof 1966

[De brieven van Thomas Merton, zo geïmproviseerd en grammaticaal onverzorgd als ze kunnen zijn, geven een kijkje in zijn ‘religieus bewustzijn’ op bepaalde momenten in zijn leven. Op een manier die zijn ‘bewerkte’ boeken niet konden laten zien. Deze brief is een van de meest ‘onthullende’ inkijkjes in zijn persoonlijke gedachten, van zijn inzichten die gepubliceerd zijn. Je ziet in deze brieven ook hoe zorgvuldig hij contact probeerde te maken met onbekenden die hem schreven. Merton beoefende hier op een prachtige en sublieme wijze de ‘monastieke gastvrijheid’.]

10 November 1966, Aan Katharine Champney

Je stelt een heel belangrijke vraag die ik waarschijnlijk niet kan beantwoorden. Ik verzeker je dat ik min of meer ‘gaandeweg’ denk, misschien zelfs improviserend. Je zult dus begrijpen dat ik zeker niet zal beweren dat ik er veel meer van weet dan jij. En ik ben zeker niet in de positie om “vraagstukken” in een handomdraai uit de weg te ruimen, of ze nu religieus zijn of niet. Ik kan niet meer zeggen dan dat ik er naar kijk vanuit een bevoorrechte positie welke niet de jouwe is en evenmin die van je religieuze vrienden. Of ik dat aannemelijk kan maken of niet, weet ik niet. Maar laat ik van begin af aan zeggen: er zijn vele redenen waarom ik denk dat de vraag, of iemand wel of niet een gelovige is, onmogelijk op te lossen is- en het is zelfs de vraag of dat er toe doet-. Natuurlijk, in de abstracte zin, doet het er toe, is het cruciaal, het is de vraag, etc. etc. (ik weet in ieder geval dat die keus op die manier wordt voorgesteld). Maar in de dagelijkse werkelijkheid, historisch gezien, is er sprake van veel ruis en verwarring en is de hele zaak zo onmogelijk duister geworden dat er (en dat tezamen met alle strijd en onzin die er is geweest), naar mijn mening, met iedereen, die nog nooit serieus getwijfeld heeft, wel iets aan de hand moet zijn. Je zou eigenlijk moeten twijfelen. Als je vrienden zeggen dat jij een gelovige bent, en zij geven jouw dat compliment, er van uit gaande dat zij de waarheid genoeg respecteren om daar oprecht over te zijn. En evenzo dat, als jij niets daarvan kan zien, jij niet zult zeggen dat je wel iets ziet.

En daar gaat het nu juist om. Dat is exact wat ik ook doe. Geloven is niet alleen niet zien, maar het is ook een vastberaden weigering te zeggen iets te zien wat je niet ziet. Ik was een ongelovige tot op de dag dat het tot mij doordrong dat de absolute leegte van het niets, waarin ik onmogelijke iets kon zien of horen, tegelijkertijd de absolute volheid van alles was. Dit was niet zozeer een religieus inzicht maar veel meer een metafysisch Zen-achtige iets. En met de religieuze implicaties die later daarop volgenden, zonder dat zij het negatieve perspectief ten diepste aantasten(omdat er nu eenmaal geen adequaat idee over God kan zijn). Om het maar heel bruut te zeggen, jouw “iets zonder naam”, zonder dat het ophield om volledig Niets te zijn, reed over mij heen als een zware vrachtwagen. Het vervelende echter, van het op deze manier vertellen is, dat het de zaken niet minder verwarrend maakt: laat me dus duidelijk zeggen dat ik niet suggereer dat jij op een ochtend wakker moet worden met dit gevoel. Wat ik alleen maar zeg is dat dit in de metafysische zin zo is(zijn zit op deze wijze in elkaar). En sommige mensen zouden wel eens een special gave kunnen hebben om zich dit tot zich te laten doordringen. Een gave die ik misschien heb, als poëet. Een persoon die vertrouwd is met religieuze en literaire tradities etc. etc. etc. Maar dat zegt nog niets en het veranderd het feit niet dat als je het niet ziet, het niet belangrijk is.

“Alleen,” Ik ben totaal op mezelf teruggeworpen in deze Leegte. God is geen “object” waar ik “samen mee” ben en het is zinloos om te luisteren om “hem te horen”- net zo nutteloos als de poging om de ogen te zien waarmee je ziet. Je kijkt gewoon en alles valt op zijn plaats. Nog een, als je het niet ziet, het doet er niet toe. Jij zult ongetwijfeld andere manier hebben om daar te komen. Jouw formulering van “iets zonder naam dat ons tegelijkertijd met elkaar verbind…” is dezelfde als de “grond van mijn-ons eigen zijn”. Het is, okay, eerder een filosofisch dan een religieus inzicht.

Nu zul je inmiddels wel geïrriteerd geraakt zijn over mij en denken dat ik met een smerig trucje wegkom waarvan ik beloofd had dat ik dat niet zou toepassen: dat ik je ongemerkt zou beroven van je ongeloof. Dat ik je, ondanks jezelf, verheven heb tot het gezellige niveau van de gelovigen. Nee, dat heb ik niet. Jij bent een ongelovige. Het enige is dat ik dat ook ben, maar dan op een andere manier. Je zult zeker bij mij terugkomen, en natuurlijk, als jij sommige van mijn (eerste) boeken leest, mij zult duidelijk maken dat ik gigantische bouwwerk heb geproduceerd vol religieuze denkbeelden, overwegingen, en nog veel meer. Maar wat de mensen schijnbaar niet zien is dat in met dezelfde adem als waarmee ik dat heb gezegd ik ook zei: “maar dat is het niet”.

De positie waarin ik dus verkeer verschilt dus maar in een ding: dat ik me volledig op mijn gemak voel bij de traditionele religieuze concepten. Ik kan ze gebruiken, ik ken hun grenzen, en – ik heb ook door dat ze eigenlijk nergens naartoe leiden. Wat je ook zegt, wat je ook ervaart, hoe vaak je “God” ook hoort, etc., etc., het is allemaal leeg. Het is niets. Het is illusoir. Het is misleidende informatie, behalve voor diegenen die het op de juiste wijze verstaan. Aan het eind komen we allemaal min of meer terug op de plek waar je allang was, “iets on-noembaars….”. Natuurlijk; daar is Christus. “Maar Hij heeft zichzelf ontledigd en de gestalte van een dienstknecht aangenomen….. de dood aan het kruis…”. Dit betekent hetzelfde als dit alles tot niets herleiden, tot iets onnoembaars, je weet niet wat het is, je hebt er geen controle over, je kan het met je geroep niet afdwingen, je hebt in ieder geval geen recht op een antwoord; laat staan dat je het krijgt(ik zeg “je”, maar voor mij geldt hetzelfde). Kort gezegd; het feit dat ik een gelovige ben geeft mij in ieder geval niet het voordeel wat jij verondersteld: dat ik het recht heb op stemmen en vertroostingen die aan jouw geweigerd worden.

Het enige waar ik recht op heb is mijn persoonlijke weg, die mij linea recta de leegte en de wildernis in leidt zonder ook maar over mijn schouder te hoeven kijken om te zien of er iemand met mij mee gaat. Ik weet dat heel veel mensen mee optrekken: mensen zoals jij, die in dezelfde woestenij verkeren, maar die het niet op dezelfde wijze kunnen begrijpen zoals ik. En eerlijk gezegd, ik denk niet dat dat erg is. De “vertroostingen van religie” zijn iets waar jij het , in jouw concrete geval, net zo goed zonder moet doen- ze zouden je kunnen verleiden te denken dat je iets hebt als ze je gegeven worden.

Dat is ook mijn gevecht met religieuze mensen. Zij verkopen antwoorden en vertroostingen. Zij zitten in de verzekeringen business. Ik geef je geen andere verzekering dan dat ik je leegte ken en dat ik daar ook in ben, maar dat ik daar op een andere manier naar kijk. Het is niet zo dat ik vrolijker ben. Maar ik zie er de zin van in; zo zie ik dat in ieder geval. Laat me dit zeggen, voor mij is het geruststellend geweest om Zen mensen en Moslim meesters e.a. tegen het lijf te lopen en te ontdekken dat we elkaar volkomen begrepen. En ik haast me zeggen dat je dat gevoel ook weer niet hoeft te hebben. Toevallig heb ik, in een eerdere en minder gepolijste versie van dat artikel, gezegd dat ik mij meer thuis voel bij ongelovigen dan bij gelovigen,** In een bepaalde zin is dat ook zo. Helaas ik kan niet zo gemakkelijk ontsnappen aan de plaatsvervangende schaamte die kerkelijke mensen voortdurend bij mij oproepen.

Dus, vriendin Katherine, ben ik niet Vader Merton van binnen de warme kerk die jouw uitnodigt om bij het vuur te komen zitten van positief denken of zoiets. Ik sta buiten in de kou met jou want (vergeef me de kretologie) ‘God is daar waar Hij niet is’. En misschien is daar de kerk ook wel(waar al de mijters afgezet zijn en alle ambtsgewaden in de kast opgeborgen zijn). Ik ga hier niet ver op in, ik denk dat ik genoeg heb gezegd om duidelijk te maken dat ik denk dat die hele geloofsonderneming en de totale boodschap van het geloof op zoek is naar een hele nieuwe taal- of helemaal tot zwijgen komt. Vandaar dit antwoord op je vraag: als God niet tegen je spreekt, is dat niet jouw fout. Het is de fout van die hele mentaliteit die de indruk wekt dat hij voortdurende tegen mensen spreekt. Zij die het luidst roepen dat ze Hem horen, zijn mensen die je niet moet vertrouwen. Maar, daar tegenover, is er een weg van verstaan waarin niet-horen horen is. Misschien is dit allemaal wel te spitsvondig en subtiel.

**Zie Merton’s artikelen “The Unbelief of Believers” and “Apologies to an Unbeliever” in de bundel Faith and Violence: Christian Teaching and Christian Practice (University of Notre Dame Press, 1968)

[Thomas Merton Witness to Freedom: Letters in Times of Crisis. William H. Shannon, editor (New York, Farrar, Straus & Giroux, 1994): 327-329]

(overgenomen van Jonathan Montaldo)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s